Dec 04 2017

Soms denk je:” Wat is ook al weer bijzonder aan mijn vak?” Bijvoorbeeld als je weer op een feestje moet uitleggen wat je doet als je zegt dat je bij een adviesbureau werkt. Wat doe je dan eigenlijk? Ik hoop zelf dat ik de organisaties en de mensen die ik adviseer een stukje sterker, slimmer en energieker achterlaat. Maar wat is dan de ‘Vannimwegen’ factor? Toen ik mijn collega Karin vroeg waarin wij zelf dan het verschil maken, kreeg ik een heel aardig lijstje van karakteristieken:

  • Wij zijn eerlijk en constructief kritisch; we denken zelf na en geven onze echte mening, dat is niet altijd de makkelijkste. Maar we denken dan ook meteen na/mee over een oplossing.
  • We zijn harde werkers en écht goed: we doen wat er moet wanneer het moet. Dus ook als dat vraagt om avond of weekend werk: als het nodig is leveren we, en de kwaliteit is goed of boven verwachting.
  • We zijn heel betrokken en zorgvuldig in de relatie: je kunt ons vertrouwen en je kunt met je problemen en vraagstukken bij ons terecht.
  • We zijn gewone topadviseurs. We kunnen goed opschieten en communiceren met alle niveaus: medewerkers, huurders, ambtenaren, middenkader, topmanagement, directie, bestuurders en toezichthouders.

Wat maakt volgens haar het verschil in onze aanpak? Daar waar iedereen zegt: “goed stuk”, of “goed idee”, denken wij altijd nog een stapje verder en kunnen we altijd nog iets verbeteren. In dezelfde tijd verzetten wij meestal meer werk dan anderen, en/of we leveren sneller dan je van anderen gewend bent. Bovendien hoeft er vaak (bijna) niets meer aan te gebeuren. We zijn er voor je. Een bepaalde functie of positie is een stuk minder eenzaam als je met iemand je zorgen kunt delen en die iemand daar integer in is, je kan helpen en je op nieuwe inzichten kan brengen. Dat kunnen wij. Je hebt verder niet veel adviseurs nodig om de betrokkenen op alle niveaus te bereiken/bedienen. Dat kan met één en dezelfde adviseur, die daardoor ook alle aspecten meekrijgt en snapt. Dat schakelt als opdrachtgever veel makkelijker en sneller.

Dat klinkt natuurlijk fantastisch. Hebben wij nog zaken die wij aan onszelf kunnen verbeteren? Ja natuurlijk. Wij hebben soms wel erg sterke eigen ideeën over hoe je dingen aanpakt. We zijn wars van modegrillen. Het betekent dat we vaak een beetje “anti” reageren op procesinnovaties zoals Scrum, werken vanuit THE WHY en een fenomeen als procesoptimalisatie. We krijgen jeuk van die woorden. Projectmatig werken “volgens het boekje” of het hanteren van een model, dat vinden we vaak te ingekaderd. We gaan liever een eigen gang. Onze uitdaging is om te erkennen dat onze praktijkwijsheid soms handig via een “methode” aan de man gebracht kan worden in organisaties. Die bewegen dan wat sneller mee. Werken volgens methodieken helpt mensen in organisaties die de proceservaring niet hebben. Daarmee wordt methode verandertool. En dus iets dat je zou moeten inzetten.

Waar we ook nog een slag in kunnen maken is onze focus. We zijn van “het wonen” en binnen dat domein vinden we dat we overal verstand van hebben. Terwijl dat natuurlijk helemaal niet kan met een bureau van 15 adviseurs. Leren om ons te beperken tot een aantal inhoudelijke kernthema’s en een paar procesmatige kernvragen zou kunnen helpen. Enerzijds om sterker te worden in onze kern (organisatieadvies, meerpartijenmanagement, boardroom advies). Om nog scherper te krijgen hoe en met wie wij willen groeien. En om nog beter herkend te worden door klanten op wat wij van Vannimwegen hen kunnen brengen. Leren nee zeggen tegen een interessant onderwerp, en leren nee zeggen tegen collega’s die iets nieuws willen oppakken, dat is denk ik een van onze grootste uitdagingen. Want wij zeggen graag ja.

No responses yet

Nov 06 2017

Met dank aan Adri Duijvestein kunnen bewoners makkelijker zelf het beheer van hun huurwoning oppakken. Als ze het niet eens zijn met hoe hun woningcorporatie het beheert, dan mogen ze een wooncoöp beginnen. Wooncoöperaties staan beschreven in de Woningwet en dat geeft de juridische basis waarmee bewoners zich kunnen bundelen. Behoren daarmee grote woningcorporaties tot het verleden? Gaat nu ieder complex ‘voor se eigêh’ ? Nee, het loopt nog niet zo’n vaart, vooral omdat het vrij lastig is om financiering te krijgen als bewonerscollectief. En ook omdat het vooral een bepaalde groep aanspreekt; mensen die het gedrag van hun verhuurder zat zijn en het heft in eigen handen willen nemen.

Waarom zou je het zat zijn? Een bekend voorbeeld is dat woningcorporaties daar waar ze kunnen de huren proberen te verhogen (zodat ze geld kunnen verdienen met investeren). Door huren te verhogen stimuleren ze mensen om te verhuizen naar een koopwoning. Beleidsmatig best te begrijpen. Je bent als corporatie er voor de onderkant van de huurmarkt en verdient een huurder te veel dan gaat ie maar weg. Dit rijmt natuurlijk niet zo mooi op het idee dat mensen graag langer bij elkaar in de buurt blijven wonen. Buurtbinding. Gemengde wijken. Omdat de corporatie niet toestaat dat je zelf de woningen aan de buren toewijst, hoe houd je het dan gezellig? Misschien kun je het beter lekker zelf doen.

Huurverhoging vertaalt zich niet altijd in goede service. Veel bewoners denken dat zij het beter en goedkoper kunnen. Het is inderdaad bijzonder dat de beheerlasten van corporaties na fusies bijvoorbeeld nauwelijks dalen. En dat terwijl zij vaak veel meer woningen in hun bestand hebben en schaalvoordelen in het beheer zouden moeten kunnen pakken. De gedachte ’small is beautiful’ is zo gek nog niet. Waarom zou je honderdduizenden euro’s uitgeven voor accountants, IT-verandertrajecten en een directeur die een grote organisatie moet snappen, als je een blok van 30 woningen ook op zondagmiddag kunt beheren in je vrije tijd. Vrijwilligers zijn nu eenmaal veel goedkoper. En een klein blok woningen beheer je gewoon met een google drive en een online gratis boekhoudpakket.

De wooncoöp is een interessante beheervorm voor mensen die het heft in eigen handen willen nemen. Zelfbeheer is in de lift en die lift stijgt langzaam doch gestaag. Mijn collega Trevor James is als expert betrokken bij veel woon op het Wooncongres van aanstaande donderdag. Wil je meer weten dan kun je je nog aanmelden. Ook dit artikel uit de Groene Amsterdammer is interessant leesvoer voor wie meer wil weten.

No responses yet

Oct 09 2017

Published by jaspervanderwal under Uncategorized

In de wereld van de volkshuisvesting was “statushouder” misschien wel het woord van het vorig jaar, 2016. Vele duizenden nieuwkomers kregen  een woning van de corporatie. Er startten allerlei initiatieven voor nieuwe slimme woonvormen zoals van de Rijksbouwmeester. Woningdelen werd weer populair. In Amsterdam werd de kiem gelegd voor zoiets gaafs als IMBY. En er kwam plots veel aandacht voor spoedzoekers, de groep vergeten woningzoekers die direct een woning nodig heeft, maar om diverse reden geen urgentiestatus weet te krijgen. Alle seinen op groen dus, om de grote stroom vluchtelingen onder een passend dak te krijgen. En dit is geweldig goed gelukt.

Ik vrees echter dat 2018 het jaar van iets anders gaat worden, dan het jaar van de statushouder. De tekenen zijn niet overwegend positief. Nieuwkomers worden in het kabinetsbeleid van Rutte III beroofd van allerlei rechten die hen zelf verantwoordelijk maken voor hun toekomst. Wonen, ziektekosten, onderwijs, etc worden in natura gegeven en statushouders krijgen leefgeld. Op zich een interessant idee, omdat voor velen de stap naar de ingewikkelde Nederlandse maatschappij een veel te grote is. Maar zorgt het niet voor een gevoel van tweederangs burgerschap en nog meer afhankelijkheid van de overheid? En wat gaat dit voor bureaucratische rompslomp opleveren tussen onderwijsinstellingen, corporaties, zorgverzekeraars enerzijds en de overheid anderzijds? Want al die in-natura-vergoedingen dienen natuurlijk sober en doelmatig te zijn, Europees aanbesteed en goed te verantwoorden.

En wist u dat veel asielzoekers die het afgelopen jaar een verblijfsvergunning kregen, nog zitten te wachten in het AZC. Het gaat nog om tienduizend mensen die nu nog met vaak volstrekte vreemden een kamer van pakweg 8 m2 delen. En nu stilstaan in hun leven, terwijl zij niets liever doen dan een toekomst op te bouwen in Nederland. Hun kinderen naar een normale school met Nederlandse kinderen. Of zelf een beroepsopleiding volgen. Aan het werk en de taal leren. ‘Landen’ in een buurt en relaties opbouwen met andere Nederlanders. Dat is ze – wat mij betreft – gegund na al die jaren van op de vlucht, onzekerheid en wachten.

Ik las dat de taakstelling van de overheid om woningen voor statushouders en nog steeds niet om liegt. In 2018 zullen meer dan 20.000 vluchtelingen een woning moeten krijgen. Ik hoop van harte dat het elan waarmee woningen zijn vrijgespeeld behouden blijft. Dat er opnieuw (tijdelijke) locaties worden bestemd voor woningbouw voor hen die niet zonder steun een woning kunnen bemachtigen. En dat er stoom blijft op de taakstelling en iedereen vol trots het volk, in dit geval dus het gevluchte volk, blijft huisvesten.

En dat we met elkaar manieren weten te vinden, om ons te verhouden met nieuwe mensen in onze straat. Want (tijdelijk) geïsoleerd in je AZC zitten is één ding. Weinig contact met je buren en geen aansluiting met de rest van de maatschappij is van een veel grotere orde.

No responses yet

May 15 2017

Wat hebben starters op de woningmarkt, gescheiden mannen, voormalig daklozen en vluchtelingen met elkaar gemeen? Dat ze allemaal snel een dak boven hun hoofd nodig hebben en binnen afzienbare tijd gaan verhuizen. Corporaties pakken steeds vaker de handschoen op om hun huisvesting van deze spoedzoekers te regelen. Een aandachtspunt is daarbij hoe je ervoor zorgt dat het er fijn wonen is, met elkaar en voor mekaar. Het prettig wonen gaat niet vanzelf omdat mensen vaak weinig binding hebben met de woning. Clustering van ‘ongebonden’ woongedrag, gecombineerd met maatschappelijke kwetsbaarheid, dat is vragen om uitdagingen.

Platform31 bracht een tijdje geleden een publicatie over de magic mix uit. Daar spreekt uit dat het goed is om te mixen én dat er zoiets bestaat als een magische mengeling, als panacee voor prettig samenleven. Was het maar zo eenvoudig. Natuurlijk lijkt geen enkele plek, geen enkel gebouw en geen enkele bewonerssamenstelling op elkaar. Mensen zijn zo uniek dat ze in verschillende situaties totaal verschillend gedrag vertonen. Dat herkent u misschien ook in uzelf. Toen u nog op school zat, maakte het niet zo veel uit of er rommel in de straat of in huis lag. Maar nu u kleine kinderen heeft, let u daar wel degelijk op. Gezelligheid en geluidsoverlast zijn twee woorden voor hetzelfde fenomeen. Hoe bereik je een magic mix? Dat is dus vooral zorgen dat mensen zich tot elkaar gaan verhouden en elkaar leren te begrijpen. Is er dan niets te bedenken? Gelukkig zijn er wel een paar dingen waar je vooraf rekening mee kunt houden als je spoedzoekers wilt huisvesten.

Toewijzing van de woningen buiten de reguliere woonruimteverdeling. Je ziet dat in collectieve huisvesting voor spoedzoekers en vaak buiten de systemen om wordt verhuurd. Eén manier is door de verhuurmakelaar, die heel precies kijkt welke woningzoekende past bij de woning. Een andere manier is wat met een duur woord coöptatie wordt genoemd. Dat bewoners zelf kunnen uitmaken wie er bij ze komt wonen. Via hospiteren of geholpen met een kennismakingsbijeenkomst of een selectiecommissie. Dit kun je doen op de schaal van een gang, op complexniveau en in een wijk. De studentenhuisvesters hebben er veel ervaring mee en ik weet dat ook corporaties als Woonbron en AlleeWonen dit doen.

Intensief beheren. Het beheer verdient extra aandacht en zorg omdat er snel en vaak verhuisd wordt. De spoedzoeker heeft veelal niet een sterke relatie met zijn woonomgeving (hij wilde immers zsm een dak en niet zozeer een leuke buurt of woning). Dit zie je vaak terug in woongedrag, waardoor je er qua beheer wat feller en actiever op moet zitten. Maar wat voor de verdeling van de woning opgaat, geldt ook voor het beheer. Ga zo ver mogelijk in het geven van verantwoordelijkheid aan huurders voor het beheer van hun woning. Dus niet alleen die 4 muren, maar geef ze een rol in beheer van hun gang, collectieve voorzieningen en de omgeving (groenvoorziening). Je zult zien dat dit het woongedrag positief beïnvloed. Zorg er wel voor dat dit je dit professioneel laat begeleiden.

Buurt vroegtijdig betrekken. Natuurlijk wil je geen NIMBY-gedrag uitlokken (Not In My Back Yard) en zul je zorgvuldig met de omwonenden willen communiceren. Toch kun je het beste je plannen voor de spoedzoekerslocatie in samenspraak met de buurt ontwikkelen. Dat scheelt niet alleen in de bezwaarschriften en de ontvankelijkheid van bezwaarschriften. Je wilt misschien wel dat de spoedzoekers een relatie aangaan met hun buren. Want het feit dat iemand vooral een dak wil, betekent niet dat degene geen contact wil in de buurt. In iedere buurt zitten naast dwarsliggers ook veel helpers, mensen die oprecht iets willen bijdragen aan problemen van andere mensen. Haak ze aan en geef ze een aparte plek in het proces.

Ingrediënten voor de mix. Om in bakkersjargon te blijven; de een houdt van zoet en de ander houdt van hartig. Afhankelijk van de locatie, de schaal,  en de bewoners die je aanzoekt, werkt de ene of de andere mix. Het vaststellen van je mix, de wijze waarop je daarop stuurt, welke professionals/bewoners welke rol krijgen in de keuzes. Dat kun je allemaal het beste in het proces zelf laten ontstaan. Natuurlijk moet je zorgen dat er niet te veel kwetsbare mensen bij elkaar wonen. Je wilt voorkomen dat de locatie een aanzuigende werking krijgt op loverboys, drugsverkopers of andere ondernemers die het met de regels niet zo nauw nemen. Wat vaak gebeurt is het mengen van studenten met andere groepen als zorgbehoevenden en nieuwkomers. Dat gebeurt vaak vanuit de gedachte dat studenten snel een woning zoeken, gewend zijn om met nieuwe mensen contact te maken en bereid zijn enig vrijwilligerswerk te doen. Het aantal buddy-projecten in ruil voor huurverlaging of studiepunten is inmiddels niet meer op twee handen te tellen. Kijk daarvoor ook eens op de website van de Academie van de Stad. Studenten mengen kan niet overal helaas; niet iedere gemeente is een studentenstad. Wat kan werken is maatjes in de wijk te rekruteren of semi-professionele woonbegeleiders aan te stellen en te trainen.

Organiseer iets van programma. Heel belangrijk laatste punt dat ik hier noem, is dat je wel degelijk op contact kunt sturen. Sleuteluitgifte, een kopie van de huisregels en een individueel plaatsingsgesprek zijn niet genoeg. Je kunt bijeenkomsten ter onderlinge kennismaking organiseren. Wat doe je met het openingsfeestje? Weet je de talenten van de bewoners, dan kun je die actief bemiddelen. Tal van organisaties staan tot je beschikking, bijvoorbeeld de zorginstelling, lokaal welzijnswerk, buurtvereniging, lokale ondernemers en Vluchtelingenwerk. Krijgen bewoners een budget om zelf iets te organiseren? Zo nee, waarom eigenlijk niet. Toch?

En vergeet ook niet dat je de inzet van bewoners kunt stimuleren. Wat nu als je een kleine ruimte ter beschikking stelt, waar bewoners zelf iets kunnen organiseren. Zo zorg je ervoor dat initiatieven de ruimte krijgen. Wellicht groeien die wel uit tot wat groters. Je weet maar nooit.

Want het gaat niet vanzelf omdat mensen vaak weinig binding hebben. Clustering van ‘ongebonden’ woongedrag, gecombineerd met maatschappelijke kwetsbaarheid, dat is “vragen om uitdagingen”.

No responses yet

Jan 26 2017

“Wat gek dat van alle aanwezige professionals niemand een kritische buurman kent!” Deze observatie deden we in een voorbereidende vergadering van een symposium over vluchtelingen en integratie. We zochten een gemixte groep experts, die konden reflecteren op hoe het is om de buur van een statushouder te zijn. We wilden niet enkel hosannaverhalen horen over hoe geweldig het is om statushouders een thuis te geven. Daarom wilden we een kritische huurder op het podium met ervaringen met statushouders. Nu waren er wel kritische huurders te vinden, maar die waren helaas allemaal van het type reaguurder. Bot, soms agressief en niet bereid tot luisteren. En ja, er waren ook wel huurders die wat wilden zeggen, maar die hadden eigenlijk helemaal geen contact met vluchtelingen. En hadden er ook geen last van. Die huurder vinden bleek uiteindelijk nog best een opgave. Na lang zoeken vonden we er twee.

Maar als je aan iemand vraagt of hij een vluchteling kent, is het antwoord meestal nee.

Het geeft aan wat zo moeilijk is aan de huidige tijd; je wilt graag met elkaar de dialoog aangaan en wijzer worden door de ervaringen van alledag, maar we (lees de mensen van beleid en strategie, de projectleiders en de medewerkers leefbaarheid) komen eigenlijk niet echt in contact met onze huurders. En huurders komen dus vaak helemaal niet zo makkelijk in contact met andere huurders. Ja, iedereen kent de schreeuwers, we kennen allemaal de beroepsvrijwilligers. Maar gewone huurders spreken en te weten komen wat hun hoop en vrees is, nee, daar zijn wij als woonprofessionals en vertegenwoordigers van huurders niet echt goed in.

Maar dit stukje gaat over participatie van vluchtelingen, dus laat ik daar eens op focussen. Interessant genoeg is daar eenzelfde fenomeen gaande. Iedereen ziet de succesvolle Syriër op televisie die een mooi initiatief is gestart of leest over die Irakees die meedoet in een bijzonder woonproject. Maar als je aan iemand van een woningcorporatie vraagt of die een vluchteling kent, dan is het antwoord meestal nee. Wij zien ze niet en we horen ze niet. Maar we maken wel beleid, wijzen huizen toe en sturen brieven. Brieven die zij vervolgens niet snappen. Onze systemen van woonruimteverdeling zijn een compleet raadsel. Ook is voor velen een mysterie hoe je je woning een beetje slim gebruikt. En daar doen wij van wonen nog te weinig mee. De hardwerkende vrijwilligers van Vluchtelingenwerk beperken zich tot de basics, maar er zou zoveel meer kunnen. Dat daar een behoefte is, laten tal van onderzoeken en bijeenkomsten zien (zie ook www.deburenvanstatushouders.org)

Dus ergens gaat het goed mis in het contact. Voor een deel is dit te verklaren uit het scheiden van beleid en uitvoering, waarbij de beleidsmaker maar niet achter zijn bureau vandaan komt. De complexbeheerder, onderwijzer of casemanager heeft het menselijk contact. Zij participeren in de wereld van de statushouder. De top van de organisatie leeft in een wereld van vergaderingen en beleidsnotities en komt hoogstens bij speciale gelegenheid ‘in de wijk’. Bij deze doe ik een pleidooi voor een beweging “weg van het bureau en hop de praktijk in!”

Wat ik ook zie is dat de laatste jaren stevig is bezuinigd en gerationaliseerd in klantcontacten. Balies gesloten, internetportals opgetuigd, vaak bouwden we een muur tussen de mens en de professional. Wie het begrijpt moet eens een telefoonnummer zoeken op een gemiddelde website. Haast niet meer te doen. Jongens, dit is niet goed voor het contact met en de zorg voor huurders, zeker niet als dit nieuwkomers zijn die niks van je land snappen, omdat ze er welgeteld pas 6 maanden wonen.

Woonmaatschappelijk werk helemaal terug

Gelukkig zijn er lichtpuntjes. Na al die jaren van ‘de basis op orde’, komt als een slinger de beweging naar buiten weer enigszins op gang. Woonmaatschappelijk werk is terug van weggeweest. We zien corporaties maatwerkbudget inzetten om praktische problemen van huurders op te lossen. Er komt weer ruimte om meer te doen dan woonruimte, woonlasten en woningonderhoud. We zien dat veel corporaties vluchtelingen welkom heten en bij de buren aanbellen om kennis te maken. Soms wordt een welkomscomité uit voormalig vluchtelingen ingezet ter ondersteuning van de verhuurmakelaar. Daar waar statushouders in groepsaccommodatie zijn gehuisvest, wordt vaak extra ingespannen voor het beheer. De link met de buurt wordt gelegd, buddies worden aangezocht. Je ziet dat er urgentie is en dat er iets nieuws mag worden bedacht. Het is vaak niet schokkend, maar het is een begin. Een goed begin.

Hoe kan ik verbinden met mijn vluchteling?

Laat ik een ontwikkeling duiden die heel interessant kan zijn voor iedereen die vluchtelingen huisvest en die denkt: hoe kan ik verbinden met mijn vluchteling? De (vooral wat grotere) gemeenten zijn in de regel tamelijk actief om vluchtelingen te laten participeren. Ze zien de bui al hangen: als iedereen in de bijstand zit dan is de gemeentekas snel leeg. Trouwens, we vinden het tegenwoordig niet meer dan normaal dat iemand meedoet, als die dat kan. Er wordt stevig ingezet op vrijwilligerswerk, extra taallessen, werkervaringsplaatsen en direct-aan-het-werk aanpakken. De grootste drijvende kracht in de participatie zal de komende tijd vooral vanuit gemeenten Werk & Inkomen komen. Als die nu allemaal gaan samenwerken met woningcorporaties dan wordt het nog wel wat met de participatie van de corporatie bij de statushouder.

No responses yet

Oct 13 2016

Published by jaspervanderwal under Uncategorized

Woningcorporaties spelen een cruciale rol in het huisvesten van vluchtelingen. Is huisvesten meer dan het bieden van een dak boven het hoofd? Wij denken van wel. Corporaties hebben hun netwerken in wijken en buurten. Ze weten welke bewoners andere bewoners kunnen verbinden. Ook kennen zij de zorgpartners in de wijk. Daarom de vraag: “Wat kan huisvesting betekenen voor integratie?” Vannimwegen sprak met betrokkenen (professionals, asielzoekers, vrijwilligers). We oogstten problemen en knelpunten. En we zien aan de horizon extreme oplossingen.

Problemen en knelpunten

Van bouwen naar integratie. Momenteel is het huisvesten van asielzoekers vooral een bouwopgave. Er wordt vaak vanuit een technische bril gewerkt aan het realiseren van zo veel mogelijk vierkante meters. Er lijkt onvoldoende besef dat je de toekomstige integratie van statushouders mee moet nemen in de plannen. Zo is de schaal van veel plannen groot. Staat concentratie van vluchtelingen integratie in de weg? Onder het mom van tempo en haalbaarheid worden integrale aanpakken gemeden. Wanneer je wonen, samenleven, scholing en werk slim combineert kan dit meer toekomstbestendige oplossingen geven.

Toewijzing anders? Toegewezen woningen passen vaak onvoldoende op woonwensen. De vluchteling krijgt een woning toegewezen, vaak ver van de plek waar hij mogelijk al enigszins geworteld is (laatste AZC). Aan de nieuwkomer wordt niets gevraagd. Het COA onderzoekt sinds kort of zij vluchtelingen op maat kan sturen naar een rurale, grootstedelijke of kleinstedelijke woonomgeving. Een goede eerste stap naar passender huisvesten. De woonruimteverdeling van de gemeenten en corporaties kan vraaggerichter.

Mismatch woningvraag en woningaanbod. Er zijn veel alleenstaande statushouders en relatief veel gezinswoningen. Relatief veel (dure) woonmeters worden verwoond door (relatief arme) statushouders.

Onderbenutting van het instrument woningdelen. Het lijkt een slimme oplossing voor het woningtekort: een kamer aanbieden met gezamenlijke voorzieningen. Het is goedkoper, biedt een netwerk aan de nieuwkomer, er komt sneller aanbod voor vrij. Toch blijkt er nog maar weinig mee te worden gedaan. De Huisvestingsnorm staat in de weg; de hoogte van de bijstand is afhankelijk van aantal personen in huishouden. Zo wordt woningdelen onaantrekkelijk. Ook zijn er verwachtingen gewekt dat vluchtelingen allemaal een zelfstandige woning krijgen.

Koudwatervrees. Er is veel angst bij wijkbewoners en er zijn veel vooroordelen over wie en wat vluchtelingen zijn. De omgangsvormen verruwen; huurders en eigenaren komen in opstand. Veel leidinggevenden bij gemeenten en corporaties vinden het knap lastig hiermee om te gaan. Dit leidt ertoe dat bestuurders en dus ook medewerkers minder hun nek durven uit te steken. Het leidt ook tot koudwatervrees voor minder gangbare oplossingen bij medewerkers van de corporatie.

Er is weinig draagvlak voor met voorrang huisvesten. De wachttijden zijn de afgelopen jaren opgelopen en er zijn bezuinigingen in de zorg. Iedereen kent wel iemand die hier de dupe van is. Mensen vragen zich af waarom wel alles uit de kast wordt gehaald voor vluchtelingen (mensen die zij niet kennen) en niet voor hun ouders, thuiswonende kinderen of henzelf. Het Rijk staat dubbel in het oplossen van het vluchtelingenprobleem. We willen wel oplossingen, maar ze moeten niet zo goed werken dat ze aanzuigend werken. Mede hierdoor zijn stimuleringsmaatregelen vaak onvoldoende ruimhartig om echt effectief te zijn. Er wordt binnen sommige corporaties en gemeenten niet echt hard aan getrokken.

Onbenutte mogelijkheden. Integratiemogelijkheden zijn onbenut en nieuwkomers hebben weinig contacten buitenshuis. Er is sprake van een lage participatie door statushouders. Een lang verblijf in het AZC heeft vaak gezorgd voor afhankelijkheid en depressie. Het blijkt lastig om mensen die slecht Nederlands spreken mee te laten doen. Buurtverankering, welkom of andere vormen van nazorg na sleuteluitgifte ontbreken als dienst van de corporatie.

Talentontwikkeling. We weten de talenten van vluchtelingen onvoldoende te benutten. Het lijkt alsof iedere statushouder bij het verlenen van tijdelijke verblijfsstatus een ticket langdurige bijstand erbij krijgt. Terwijl er veel vluchtelingen zijn die goed opgeleid zijn en talenten hebben waar wij in Nederland wat mee kunnen. Een vangnet is begrijpelijk en humaan omdat vaste lasten dienen te worden betaald. Een groot deel van de vluchtelingen komt uit landen zonder sociaal vangnet en is in staat en bereid om laaggeschoold werk of vrijwilligerswerk aan te pakken. Of als ondernemer de kost te verdienen. Daar doen we te weinig mee.

Minderjarige vluchtelingen. Minderjarige alleenstaande vluchtelingen zijn een verhaal apart. Zij worden opgevangen in pleeggezinnen en begeleide groepswoningen. Op het moment dat zij 18 jaar worden, worden ze geacht zelfstandig te wonen. De vraag is of ze voldoende wordt aangeleerd zelfstandig te leven en een netwerk op te bouwen. Er lijkt daarnaast weinig begeleiding te zijn op groepswonen voor minderjarige statushouders. De woonlocaties zorgen soms voor overlast voor de buurt.

Geld. Weinig inkomsten, veel (woon)lasten voor jonge nieuwkomers. De bijstand en huurtoeslag voor 18 en 19 jarigen is zo laag dat een zelfstandige woning eigenlijk onbetaalbaar is. Hier zijn andere oplossingen nodig.

Extreme concepten: zou dit kunnen werken?

Wonen met werk

In samenwerking met werkgevers en sociale diensten woon-leer-werk oplossing bieden. Inzet van social return instrument.

Superwederkerigheid

Statushouder krijgt huur-korting voor vrijwilligers­werk in de buurt. Statushouders leveren de buurt aantoonbaar wat op.

Woningdelen = stap 1

Eerst klein wonen en bij hereniging keuzevrijheid in ‘waar’ en ‘hoe’ wonen. Maakt woondeelinstrument aantrekkelijk.

Voorrangkamers

Woningdelen voor status-houders en Nederlanders die snel een betaalbare kamer willen hebben. In ruil voor voorrang helpen de Nederlanders hun huisgenoten met wegwijs in Nederland en met de taal. Tijdelijk contract en huurkorting.

De Nieuwe Jongerenwoning

Groepswoning voor 16-20 jarige AMV-ers met semi-professionele woon­begeleiding die zich richt op ‘leren wonen’. Gemixt met Neder­landse jongeren. Vijfjarencontract. Buiten woonruimteverdeling toewijzen.

Taalhuis

Plek waar extra faciliteiten zijn voor het leren van de Nederlandse taal (boeken, kranten, tijdschriften, computer, internet). Woning van corporatie. Ook heel handig voor autochtone digi- en analfabeten.

Buurtkamer

Om elkaar te ontmoeten. In beheer van status­houders en Nederlandse buurtbewoners. Om niet ter beschikking gesteld. Goed te combineren met een Taalhuis.

Welcome in my backyard

Woonunits in grote achtertuin van welwillende burger. Of in vrijkomende woningen in complexen. Adoptie van nieuwkomer: “Ja, word mijn buur!”

Au pair

Adopteer een vluchteling op je logeerkamer en maak een mooie wederkerige, menselijke doch zakelijke afspraak.

Utopia

We bezien het ‘vluchtelingenprobleem’ voortdurend vanuit onze Westerse context. Daarbij leggen we ons beperkingen op die zij wellicht zelf niet kennen. Kunnen wij – Westerse profs – terug naar de tabula rasa? Wat als we een groep neerzetten in een weiland in de Flevopolder. Ontstaat er dan met minimale input een eigen economie, een eigen structuur? Zou een vluchteling dan voortdurend ‘uit’ of juist ‘in’ zijn kamp willen wonen? Oplossingen die hieruit voortvloeien leren ons waarschijnlijk veel.

Keuzevrijheid

Geen directe plaatsing maar eerst een gesprek tussen statushouder en corporatie. Dit geeft inzicht in welke woning en welke wijk past. De toekomstige klant krijgt een gezicht.

Verder praten of meedoen?

Op 29 november organiseren De Vernieuwde Stad en Vannimwegen een symposium over De buren van statushouders. Wilt u horen hoe statushouders zelf aankijken tegen hun ‘introductietijd’ in Nederland? Bent u benieuwd wat huisvesting kan bijdragen aan integratie? Meld u dan aan op: www.deburenvanstatushouders.org

Zin om een extreem concept handen en voeten te geven? Bel of mail me! Jasper van der Wal, telefoonnummer 0655 122925 email j.van.der.wal@vannimwegen.nl

No responses yet

Jul 11 2016

Dit voorjaar 2016 startte ik een onderzoek naar hoe asielzoekers in Nederland landen. Mijn hoofdvraag was tweeledig. Vraag 1: ”Wat moeten we doen om de kansen van nieuwkomers optimaal te benutten?” En vraag 2: “Wat doen we om ze goed te laten landen in de wijk?” Ik sprak daartoe met verschillende professionals bij woningcorporaties, gemeenten, Vluchtelingenwerk, Platform Opnieuw thuis, rijksambtenaren. Dat gaf me een aardig beeld van de ingewikkeldheid van het probleem na huisvesting. Ik wil ook graag weten wat er gebeurt, voordat iemand in een zelfstandige woning komt wonen. Daarom begon ik vrijwilligerswerk op het AZC in de bossen van mijn geboortedorp. Al was het maar om ook mijn bijdrage te leveren aan het welkom-heten van mensen die hun vaderland hebben achtergelaten.

Kom, we starten een cursus…

Ik begeleid sinds kort als vrijwilliger asielzoekers bij computervaardigheden op het AZC in Leersum. Ik leer hier echte mensen kennen op zoek naar een nieuw bestaan. Dit geeft mij inzicht in hun verhaal, hun wensen, ideeën en talenten. Maar ook in hun problemen, eigenaardigheden en frustraties. Dat deed ik niet alleen, maar samen, met mijn beste vriend Mark. Tussen december en februari bespreken Mark en ik de mogelijkheden met de participatiemedewerkers van het AZC. Zij vinden computerles een goed idee en geven ons de vrije hand om iets op te zetten voor de bewoners.

Cultuurshock

We houden in maart een startbijeenkomst om te checken wat het niveau is en wat we qua deelnemers kunnen verwachten. Wat zijn interesses, wat kunnen ze al? Bijeenkomst 1 is voor ons een enorme cultuurshock.  We zien duidelijk verschillen in taal, opleidingsniveau en life skills. Ondanks een goede voorbereiding, uitgebreide gebarentaal en dito spraakverwarring krijgen we geen eenduidig beeld van de wensen. Het is een heel diverse groep (6 mensen) die eigenlijk allemaal iets anders willen en kunnen. De helft verstaat zelfs onze gebarentaal niet. De gedachte van een vastomlijnde cursus laten we daarom snel varen. Veel van de cursisten hebben alleen lagere school en nog nooit een computer gezien. Opvallend feit: 100% heeft een smartphone met Facebook, What’s app, fotocamera, etc. Die weten ze handig te bedienen. Met zoiets is als een PC of laptop is door deze generatie nog maar weinig ervaring opgedaan. Wat van facebook precies de inloggegevens zijn is vaak vergeten. Hoofdletters en kleine letters worden door elkaar gehaald, spaties worden soms wel en soms niet ingetoetst. Dat westerse schrift is voor sommigen echt heel lastig. Wij komen erachter dat we van een andere generatie zijn dan deze groep. Wij hebben zelf nog weinig ervaring met mensen die laag of anders zijn opgeleid. Een heel leerzaam lesje dus, vooral voor de docent.

Naar een maatwerk cursus computerskills

De computerskills zijn zeer divers. Het varieert van niet-weten-waar-de-aan-knop zit tot ervaren computerprogrammeurs. Deze laatsten hebben zich inmiddels aangemeld op hack your future , een commercieel opleidingsinitiatief dat asielzoekers met kansen gratis opleiding biedt richting betaalde baan. Ze noemen het zelf een Refugee Code School. Wij richten ons op de niet-bollebozen. De lessen die wij dachten aan te bieden waren collectief en klassikaal. Dat gaat never nooit niet werken! De cursus hebben wij daarom snel aangepast op maat. We bieden nu een zelf bedachte basisles ‘dubbelklikken, selecteren, browsen’ aan. We hebben een standaardprocedure voor het aanmaken van een gmail-account op papier staan. We werken aan CV’s (tekstverwerking), facebook benutten en Linkedin profielen. Onze laatste ‘les’ was hulp bij de oriëntatie op een opleiding. Een van de cursisten is accountant met een mastertitel. Hij weet nu welke routes er openliggen om zijn oude beroep weer op te pakken. Met behulp van Nederlandse keywords (HBO, stage, etc) en een uitleg van hoe het onderwijs werkt , kan hij nu zelf op zoek.

Gelukkig is het niet altijd zo druk, zodat iedereen de aandacht krijgt die hij wil. De deelname wisselt, soms drie soms acht deelnemers. Sommigen zien we al na één les niet meer en anderen lopen al drie maanden mee. De groep die vaker komt zie je steeds meer vaardigheid ontwikkelen. Wat ons hindert is dat sommige statushouders een woning krijgen en verhuizen buiten het AZC. Goed voor hen, maar jammer dat we dan niet kunnen doorbouwen op hun talent.

Communicatie-bereik

Een probleem is de gebrekkige ICT. We hebben hier begrip voor. De technische dienst van COA is druk met het inrichten en weer afbreken van noodlocaties door het hele land. Begrijpelijk dat onze internetsnelheid of updates van Internet Explorer wat achterblijven. Dat we daardoor maar weinig opschieten in de les, dat is natuurlijk wel vervelend. Je leert weinig van een ‘connection time out’.

Het kost ons moeite om met de cursisten te communiceren. Wat heel goed werkt is dat ze voor elkaar tolken. Zo weten we de taalbarrière vrij goed te omzeilen. Klassikaal onderwijs of instructie is voor deze groep niet effectief. Deze mensen zullen eerst flink aan hun Nederlands (of Engels) moeten werken  om vakmatig klassikaal onderwijs te kunnen absorberen.

We bereiken maar een klein deel van de bewoners. We denken dat vooral de meer gemotiveerde bovenlaag uit het AZC bij ons meedoet. Bij de mensen die niet deelnemen verwachten we meer culturele afstand, minder wil om zichzelf te ontwikkelen, meer computervrees en minder kennis van de vreemde talen Engels en Nederlands. Het zet me wel te denken over de kansen die zij in de Nederlandse maatschappij zullen krijgen. Daar ligt echt een grote opgave.

Cursist en omgeving

Tijdens de computerles krijgen we vaak vragen die over meer dan computers gaan. Waar vraag ik de studielening aan? Hoe werkt mijn DigiD? Hoe vraag ik een password aan voor Woningnet? Kun jij een internetbetaling voor mij doen en dat ik het je dan cash teruggeef? Wat is de beste wasmachine? Hoe vind ik een woning als ik niet in de stad wil wonen? Kun je mijn chauffeur zijn als ik verhuis? De elektriciteit in mijn nieuwe woning doet het niet. HELP! Het biedt mij een kijkje in de wereld van de gewone asielzoeker. Die is met zo veel dingen bezig. Vooral op het moment van verhuizen uit het AZC komt alles tegelijk.

Syriërs/ Irakezen mixen niet echt met Eritreeërs, zo hoorden we. Wij hebben vooral contact met Pakistanen en Eritreeërs. Syriërs, hoewel oververtegenwoordigd in Leersum, zitten niet in ons klasje. De ramadan helpt niet mee, we hebben nu (juni 2016) hoofdzakelijk christenen in huis. Door het ‘zendingswerk’ van een Eritrese enthousiasteling is het vooral druk met zijn kennissen. Ze steken elkaar aan om te komen. De een komt met zijn zus, de ander met zijn kamergenoot. Mond-op-mondreclame blijkt goed te werken maar helaas een wat eenzijdige samenstelling uit te lokken. Aandachtspuntje voor het vervolg: meer marketing richting Irakezen, Syriërs en Afghanen.

Er is weinig om handen in het AZC. Wat verder opvalt: veel mensen hangen rond of liggen te slapen. De weinige structuur die geboden wordt is Nederlandse les voor statushouders. Er mag nog wel veel meer gebeuren, omdat het grootste deel van de bewoners nog niet bereikt wordt. Gelukkig zijn er steeds meer initiatieven zoals de onze. Binnenkort is de open dag van AZC’s (24 september 2016). Dan wil ik onze cursus openstellen voor publiek.

Een goed voorbeeld als afsluiting. Wij ontwierpen een poster voor een hardloopgroep van asielzoekers en Heuvelruggers. Iedere zondag rennen die samen door het bos. De poster werft nieuwe deelnemers. Zo helpen de jongens van de computercursus de promotie van andere activiteiten. Wellicht dat we ook onze deelnemers nuttige dingen kunnen laten maken. Dit soort kruisbestuiving gaan we vaker opzoeken!

No responses yet

Apr 21 2016

Published by jaspervanderwal under Uncategorized

De bedoeling van de woningwet is het definiëren van de woningcorporatie. Zodat die geen gekke dingen meer doet. Maar als de toegelaten instelling zich aan de wet wilt houden en meer wil doen dan bouwen en beheren? Wat doe je dan?

De nieuwe woningwet laat woningcorporaties zich focussen op de huisvesting voor lage inkomens. In de nieuwe ondernemingsplannen van de corporaties is deze ontwikkeling goed af te lezen. Doelen als leefbaarheid, sociale stijging, doorstroming en duurzame voorraad zijn ingewisseld voor de twee B´s: beschikbaar en betaalbaar. (In gedachten aangevuld met het jaren-tachtig-mantra ’sober en doelmatig’.) Woorden als wijkaanpak, sociale stijging en maatschappelijk vastgoed kom je nog weinig meer tegen.

Hoe anders in de eerste jaren van de 21e eeuw. Corporaties zetten zich in voor slimme oplossingen voor de participatie van de onderkant. Daarin gingen ze ver. Maatschappelijk rendement was in die jaren belangrijker dan financieel rendement. En dat leidde tot mooie oplossingen zoals werkhotels, kamers met kansen, kleinschalig wonen met zorg, de sloop van achenebbisj revolutiebouw in verloederde wijken. Daar is Nederland een stuk mooier van geworden. Weliswaar betaald uit vermogensovermaat en mede mogelijk gemaakt door een los toezichtsjasje was die woningcorporatie toch maar mooi een innovatief stuk gereedschap voor problemen aan de onderkant van de samenleving.

De laatste jaren draait het beeld geheel. Corporaties richten zich op hun ‘kerntaak’. De vraag die ik veel hoor, “Mogen we ons nog wel richten op de kansen van mensen?” Als je de wet leest, dan worden corporaties beperkt tot bouwers en beheerders van vastgoed en dit toewijzen, verhuren, . Artikel 45 van de Woningwet ’Het gebied van de volkshuisvesting’ duwt de corporatie tamelijk ondubbelzinnig terug in zijn hok. Volkshuisvesting wordt wettelijk gedefinieerd als een activiteit van een toegelaten instelling.

Ik moet zeggen dat ik dat wel erg kort door de bocht vind. Niet alleen wordt het middel (vastgoed bouwen en beheren) belangrijker gemaakt dan het doel (betaalbaar huisvesten van mensen die dat nodig hebben). En versmalt dit de toegelaten instelling als een leverancier van technische oplossingen. Allerlei initiatief dat zich wel richt op de huisvesting van het armlastige of zorgbehoevende volk, niet zijnde een toegelaten instelling, zou opeens geen volkshuisvesting zijn. Onzin natuurlijk. Wat volkshuisvesting is maakt iedereen die het volk wil huisvesten zelf wel uit. Als Hennie van de Most zijn bungalowpark openstelt voor asielzoekers, dan is dat gewoon hartstikke volkshuisvesting. Maar goed, een wet is een lap tekst met een Kamermeerderheid dus laat ik daar verder niet over zeuren.

De bedoeling van de woningwet is het definiëren van de woningcorporatie zodat die geen gekke dingen meer doet. Maar als de toegelaten instelling zich aan de wet wilt houden en meer wil doen dan bouwen en beheren? Wat doe je dan? Redenerend vanuit de bedoeling ‘betaalbaar huisvesten’ kun je wel wat. De manier waaróp je bouwt en beheert kun je slim handen en voeten geven, bijvoorbeeld door de volgende ontsnappingsroutes:

  1. Je rol te pakken. Partners helpen door in al je primaire processen te sturen op de bedoeling wonen betaalbaar krijgen. Dan gaat het om ’signaleren’, ‘doorverwijzen’, ‘ideeën meegeven’, ‘uitzonderingen maken’, ‘coulant zijn’, ‘ruimte bieden aan initiatief’, en ’stimuleren van zelforganisatie van het wonen en samenleven van huurders’. Van huurincasso tot inburgering kun en mag je veel doen.
  2. Sociaal personeelsbeleid te voeren. En daarmee kansen bieden aan mensen die nu nog aan de kant staan. De vraag is dus hoe je meer inclusief werkgever wordt en wat meer op je eigen doelgroep gaat lijken. Volgens de Participatiewet en de Quotumregeling móet je hier iets doen!
  3. Sociale voorwaarden stellen in de inkoop van diensten. Waardoor tal van flankerende sociale maatregelen getroffen worden door jouw leveranciers. Social return, werk bieden aan mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, is een onderbenut maar krachtig instrument. Zo maak je het wonen niet goedkoper, maar zorg je ervoor dat mensen weer geld verdienen, zodat ze hun huur kunnen betalen.

Wat kost dat? Via de benchmark van Aedes blijf je sturen op efficiency. Zo zorg je ervoor dat bovenstaande ontsnappingsroutes verantwoord en uitlegbaar blijven.

Meer weten over social return, Participatiewet, en al het andere maatschappelijks bij woningcorporaties, neem contact met me op!

Jasper van der Wal, 06-55122925

De nieuwe woningwet laat woningcorporaties zich focussen op de huisvesting voor lage inkomens. In de nieuwe ondernemingsplannen van de corporaties is deze ontwikkeling goed af te lezen. Doelen als leefbaarheid, sociale stijging, doorstroming en duurzame voorraad zijn ingewisseld voor de twee B´s: beschikbaar en betaalbaar. (In gedachten aangevuld met het jaren-tachtig-mantra ’sober en doelmatig’.) Woorden als wijkaanpak, sociale stijging en maatschappelijk vastgoed kom je nog weinig meer tegen.

Hoe anders in de eerste jaren van de 21e eeuw. Corporaties zetten zich in voor slimme oplossingen voor de participatie van de onderkant. Daarin gingen ze ver. Maatschappelijk rendement was in die jaren belangrijker dan financieel rendement. En dat leidde tot mooie oplossingen zoals werkhotels, kamers met kansen, kleinschalig wonen met zorg, de sloop van achenebbisj revolutiebouw in verloederde wijken. Daar is Nederland een stuk mooier van geworden. Weliswaar betaald uit vermogensovermaat en mede mogelijk gemaakt door een los toezichtsjasje was die woningcorporatie toch maar mooi een innovatief stuk gereedschap voor problemen aan de onderkant van de samenleving.

De laatste jaren draait het beeld geheel. Corporaties richten zich op hun ‘kerntaak’. De vraag die ik veel hoor, “Mogen we ons nog wel richten op de kansen van mensen?” Als je de wet leest, dan worden corporaties beperkt tot bouwers en beheerders van vastgoed en dit toewijzen, verhuren, . Artikel 45 van de Woningwet ’Het gebied van de volkshuisvesting’ duwt de corporatie tamelijk ondubbelzinnig terug in zijn hok. Volkshuisvesting wordt wettelijk gedefinieerd als een activiteit van een toegelaten instelling.

Ik moet zeggen dat ik dat wel erg kort door de bocht vind. Niet alleen wordt het middel (vastgoed bouwen en beheren) belangrijker gemaakt dan het doel (betaalbaar huisvesten van mensen die dat nodig hebben). En versmalt dit de toegelaten instelling als een leverancier van technische oplossingen. Allerlei initiatief dat zich wel richt op de huisvesting van het armlastige of zorgbehoevende volk, niet zijnde een toegelaten instelling, zou opeens geen volkshuisvesting zijn. Onzin natuurlijk. Wat volkshuisvesting is maakt iedereen die het volk wil huisvesten zelf wel uit. Als Hennie van de Most zijn bungalowpark openstelt voor asielzoekers, dan is dat gewoon hartstikke volkshuisvesting. Maar goed, een wet is een lap tekst met een Kamermeerderheid dus laat ik daar verder niet over zeuren.

De bedoeling van de woningwet is het definiëren van de woningcorporatie zodat die geen gekke dingen meer doet. Maar als de toegelaten instelling zich aan de wet wilt houden en meer wil doen dan bouwen en beheren? Wat doe je dan?

Redenerend vanuit de bedoeling ‘betaalbaar huisvesten’ kun je wel wat. De manier waaróp je bouwt en beheert kun je slim handen en voeten geven, bijvoorbeeld door de volgende ontsnappingsroutes:

  1. Je rol te pakken. Partners helpen door in al je primaire processen te sturen op de bedoeling wonen betaalbaar krijgen. Dan gaat het om ’signaleren’, ‘doorverwijzen’, ‘ideeën meegeven’, ‘uitzonderingen maken’, ‘coulant zijn’, ‘ruimte bieden aan initiatief’, en ’stimuleren van zelforganisatie van het wonen en samenleven van huurders’.
  2. Sociaal personeelsbeleid te voeren. En daarmee kansen bieden aan mensen die nu nog aan de kant staan. De vraag is dus hoe je meer inclusief werkgever wordt en wat meer op je eigen doelgroep gaat lijken.
  3. Sociale voorwaarden stellen in de inkoop van diensten. Waardoor tal van flankerende sociale maatregelen getroffen worden door jouw leveranciers. Social return, werk bieden aan mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, is een onderbenut maar krachtig instrument. Zo maak je het bouwen en beheren niet goedkoper, maar zorg je ervoor dat mensen geld verdienen zodat ze hun huur kunnen betalen.

Wat kost dat dan? Op zich hoeft dit niet veel extra te kosten. Via de benchmark van Aedes blijf je sturen op efficiency. Zo zorg je ervoor dat bovenstaande ontsnappingsroutes verantwoord en uitlegbaar blijven.

Meer weten over social return, neem contact met me op!

Jasper van der Wal, 06-55122925

No responses yet

Feb 28 2016

Published by jaspervanderwal under Uncategorized

Wat is het volkshuisvestingsvraagstuk van de komende tien jaar? In december en januari reflecteerde ik op mijn adviespraktijk. Wat is nu echt een vraagstuk waar ik als adviseur aan bij wil dragen? Ik wil in mijn werk er vooral maatschappelijk toe doen. Het meeste energie krijg ik toch van projecten, waarin mensen kansen krijgen om hun leven op te pakken en zelf vorm te geven. Zoals social return projecten en zelfbeheer. Hoe wij beter omgaan met de kansen van asielzoekers is wat mij betreft het vraagstuk van de komende jaren. Ik laat je zien hoe ik denk dat het zit.
Maandelijks komen er veel asielzoekers naar Nederland. Zij komen te wonen in grootschalige woonvoorzieningen. Het COA doet zijn best in bad, bed en brood te voorzien. Helaas. Lange procedures en een werkverbod conditioneren de nieuwkomer tot een inactief mens. In het slechtste geval tot iemand die afleert om zelf initiatief te nemen, zijn eigen leefomgeving naar zijn hand te zetten en te werken voor zijn geld. Gelukkig zijn er organisaties als Vluchtelingenwerk en UAF die met taalmaatjes, werkcoaches, werkgelegenheids- en scholingstrajecten bijdragen aan de integratie. Mijn beeld is: het zijn vooral tijdelijke initiatieven, die ontoereikend zijn voor de omvang van het toekomstige integratievraagstuk. Wat mij betreft zijn de gemeente, woningcorporatie en hun partners zijn aan zet om structuur te bieden en werkende oplossingen in te bedden.

In 2016 willen we 45.000 nieuwkomers een plek geven in de Nederlandse wijken.

Het draagvlak voor grootschalige opvang kalft af. Ook het draagvlak voor het überhaupt helpen van asielzoekers neemt af, wanneer mensen in hun eigen omgeving met bezuiniging en wachtlijsten worden geconfronteerd. Ideeën voor meer kleinschalige noodopvang, een meer activerende aanpak en betere lokale verankering hebben nog onvoldoende politiek draagvlak. Een bijkomend vraagstuk is dus hoe je ervoor zorgt dat het vraagstuk minder vanuit tegenstellingen benadert.

Tienduizenden nieuwkomers gaan straks wonen in een corporatiewoning. Alleen al in 2016 willen we 45.000 nieuwkomers een plek geven in de Nederlandse wijken en buurten. Dat zijn er gemiddeld 100 per gemeente. Zij worden straks buren van mensen die hier al heel lang huren. Eigenlijk is er niets structureels georganiseerd voor deze groep. Er zijn veel talenten, en vaak zijn nieuwkomers goed opgeleid. Maar halen we het beste uit de nieuwkomer en laten we hem samen leven in zijn buurt? Hoe leren we de kansen te pakken? Veel nieuwkomers waren in hun thuisland vaak ondernemer.

Zorgen voor betere oplossingen

In bovenstaande drie punten ligt een maatschappelijke opgave die ook een enorme marktopgave is. Daar ga ik mijn tanden in zetten. Mijn persoonlijke aanbod aan de markt is ervoor zorgen dat er betere oplossingen komen voor het integreren van nieuwkomers. Die oplossingen liggen in het bieden van nieuwe arrangementen van wonen, vrijwilligerswerk en arbeidsparticipatie. Eigen verantwoordelijkheid van het individu is daarin belangrijk. Ik zie een rol voor bedrijven en gemeenschappen, die uit welbegrepen eigen belang investeren in de relatie met de nieuwkomer. Ondernemerschap is voor mij een sleutelbegrip voor oplossingen in deze richting. Zodat een aanpak ook vitaal is na het opdrogen van subsidiepotjes. Investering in maatschappelijke ontwikkeling – naast die in huisvesting – is onontbeerlijk.

Ik kan niet wachten om mijn tanden te zetten om een lokaal probleem om te buigen tot een werkende aanpak. Dat gaat van het uitdenken van oplossingen, het waarmaken van deze oplossingen in de praktijk en verankeren in werkwijzen van betrokken organisaties. Onze bewezen creativiteit en proceservaring op de thema’s wonen, zelforganisatie en social return maken ons – denk ik – de ideale partner om het netwerk van gemeenten, werkvoorziening, onderwijs, bedrijfsleven en woningcorporaties te richten en in beweging te zetten.

Onderzoek open voor deelname

Om de kansen scherp te krijgen, voer ik momenteel een onderzoek uit naar de bestaande praktijk. Wil je meedoen met het onderzoek, stuur me dan even een e-mail j.van.der.wal@vannimwegen.nl .

No responses yet

Dec 03 2015

Published by jaspervanderwal under Uncategorized

De woningwet zegt dat huurdersorganisaties voortaan een volwaardige rol spelen bij tal van kwesties bij woningcorporaties. Denk daarbij aan het voordragen van nieuwe leden van de RvC, splitsingsvoorstellen DAEB/niet-DAEB en lokale prestatieafspraken. In allerijl pakken corporaties en gemeenten nu die handschoen op. Nieuwe huurdersraden worden uit de grond gestampt. Daar waar deze een zieltogend bestaan leden, worden ze wakker gekust. En bij de bestaande clubs vliegen de uitnodigingen om mee te ‘participeren’ ze om de oren. Niemand weet nog precies hoe ze het gaan doen, maar – en dat siert het veld – door gewoon te beginnen doet men al wat ervaring op.

Mogen meepraten over beleid is één ding, maar daadwerkelijk elkaar op de goede manier betrekken is een andere. Wat valt mij op? Dat het enthousiasme van beleidsmakers niet altijd leidt tot enthousiasme bij huurdersvertegenwoordigers. Het zorgt namelijk voor een groter beroep op vaak dezelfde mensen. In de regel hadden die het al tamelijk druk omdat ze met moeite mensen kunnen vinden die willen meepraten over beleid. Vrijwilligers worden in een keurslijf van vergaderen geduwd, bijvoorbeeld 1x per 2 weken overdag een paar uur om de tafel standpunten uitwisselen en discussiëren. Dan moet er onder hoge druk bedacht worden wat ‘de huurder’ ervan vindt. Vraag je je wel eens af of je dat antwoord dan ook echt krijgt?

Dan kunnen ook de 1,3 miljoen laaggeletterden die Nederland rijk is participeren…

Interessant is verder hoe je omgaat met vertegenwoordiging. Het mooiste zou zijn als de gemeente of corporatie wat ruimer de tijd geeft aan de huurdersorganisatie om daadwerkelijk al zijn leden te betrekken bij de beleidsvragen. Wat weerhoudt je ervan om de eerste helft van 2016 te gebruiken om beelden uit te wisselen over de langere termijn. Dan kan de HBV rustig in april een ALV houden met inhoudelijke input. Ze zouden dan zelf nog een poging kunnen wagen om onderbelichte doelgroepen (jong, met kinderen, gekleurd, werkloos) te contacteren. Je zou met behulp van ‘gaming’ daarbij ook flink wat bruggen kunnen slaan. Want beleidsparticipatie is natuurlijk hartstikke saai (voor iedereen die te onrustig was om stil te zitten in de klas). Dat kan leuker en dynamischer en tijdelijker. Het zou dan mooi zijn om meteen de ‘beleidsspeak’ in te ruilen voor gewone mensentaal. Dan kunnen ook de 1,3 miljoen laaggeletterden die Nederland rijk is participeren.

Wat me verder opvalt dat hoe meer organisatie je in een huurdersorganisatie stopt, hoe meer deze zich druk maakt over de organisatie. Logisch natuurlijk. Maar wat doen we eraan? Want als je niet uitkijkt dan betekent die nieuwe woningwet vooral een toename van drukdoenerij en gewichtigheid op kosten van de gewone huurder. Leuk is dat ik laatst een nieuw huurdersplatform mocht helpen opzetten bij een kleine corporatie. Wat bleek. De wens bij de huurders was om juist geen formele vereniging te worden met een budget, vacatievergoedingen en een kantoor. Gewoon een heel lichte organisatievorm met een roulerende voorzitter. Een echte informele vereniging met de inhoud voorop. Daar word ik nou warm van.

No responses yet

Next »